Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 22-11-2018

Prins

betekenis & definitie

Prins - m. (-en), vorst, bestuurder van een prinsdom: de Prins van Oranje;

kind of bloedverwant van een regeerend vorst; de prinsen van den bloede, prinsen die met de regeerende familie eene gelijke afstamming en dus het recht hebben om den troon te beklimmen;
— (oudt.) titel van tweeden voorzitter eener rederijkerskamer;
— (spr.) van den prins geen kwaad weten, dood onschuldig, in hooge mate argeloos zijn;
— hij leeft er van als een prins, zeer rijk, weelderig;
— het is voor den prins, dat ben je kwijt;
— dat is een dag voor den prins, een verloren dag, een dag waarop men niet werkt;
— hij heeft den prins gesproken, hij is boven zijn bier;
— ’t is of je den prins te gast moet krijgen, wat zie je er keurig netjes uit;
— (gew.) de prins komt, schertsend van een kreupele gezegd.