Pot betekenis & definitie

Pot - m. (-ten), cilinder- of vaasvormig gereedschap van aarde, porselein, ijzer, koper enz. tot verschillende doeleinden gebezigd; —kookpot en de inhoud er van : de ijzeren pot: den pot te vuur zetten, opzetten; — met den pot bezig zijn, het middagmaal gereedmaken; — den pot kunnen koken, goed met den pot kunnen omgaan, het middagmaal gereed kunnen maken; — zii eten daar een goeden pot, zij eten er goed van; — de pot is er schraal, goed, niet slecht, het middageten; — kinderen moeten eten wat de pot schaft, bijzondere spijzen worden voor hen niet klaargemaakt; — de pot is aangebrand, het eten in den pot, (ook fig. gemeenz.) het is eene zwangere vrijster; — een raar pot-eten, een rare snuiter; — den hond in den pot vinden, komen als het eten op is, zijn eten verzuimen; — de pot verwijt den ketel dat hij zwart is, iem. verwijt een ander wegens gebreken, die hij zelf heeft; — er is geen pot zoo scheef, of er past een deksel op, zelfs het leelijkste meisje kan nog wel een man krijgen; — om den pot draaien, heen en weer loopen zonder iets uit te voeren; — bij iedereen in den pot kijken, alles gaarne afneuzen; — hij eet uit den pot van Egypte, hij eet zonder zorg, behoeft er niets van te vergoeden; — het is daar de dood in den pot, zij eten er zeer schraal; — het is de dood in den pot, hij is bijzonder mager; — hij heeft een hoofd als een ijzeren pot, een zeer groot hoofd; (ook) hij heeft een uitstekend geheugen; — de Papiniaansche pot, zie aldaar; — hij is zoo dicht als een pot, hij laat hoegenaamd niets verluiden, weet zijne geheimen goed te bewaren; — bloempot: nieuwe potten voor het raam; — (gew.) hij groeit in den pot, wordt kleiner, neemt in lengte af (van oude menschen gezegd); — pot met bloemen: iedere pot kost 20 cent; — koffiepot; tabakspot, zoutpot, enz.; — waterpot: den pot in het nachtkastje zetten; den pot gebruiken, in den pot wateren; — (spr.) doofpot: iets den pot indouwen, doen vergeten; — (gew.) iem. den pot indouwen, in de gevangenis zetten; — (kaartspel) bakje of schaaltje voor den algemeenen inzet: hoeveel moet er in den pot gezet worden ?; — wat ingezet is : den pot winnen; om den pot spelen; hij moet den pot verdubbelen; — spaarpot; spaarpenningen; — (gezelschap) den pot verteren, uitgaan, een prettigen dag hebben voor het geld, dat aan bijdragen, winsten van het spelen, boeten enz. bijeengekomen is gedurende een winter of een jaar; (fig.) er tegen loopen, onaangenaamheden ondervinden, nadeel lijden; — in een pot spelen, alle winsten, die met het spelen gemaakt worden, in een pot doen, om die te zijner tijd te verteren; — (gew.) onderlinge verzekering tegen ziekte en overlijden; — eene zekere maat: een pot aardbeien; een pot bier drinken. Zie verder POTJE.