Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 22-11-2018

Plukken

betekenis & definitie

Plukken (plukte, heeft geplukt), van een tak afbreken : bessen, peren plukken;

— inzamelen : de vruchten plukken;
— (fig.) welke vruchten zal hij daarvan plukken ?, welke voordeelen zal hij daarvan hebben, wat zal hij zich daardoor verwerven ?;
— van een stengeltje afbreken: blaadjes, bloempjes plukken;
— (fig.) haar bloempje (roosje) is geplukt, zij is geene ongeschonden maagd meer;
— de geheele plant uit den grond trekken : hennep, vlas plukken;
— uitpluizen, tot vlokken trekken : wol plukken; de zieke begint al aan de dekens te plukken, dat is geen goed teeken;
— de veeren uittrekken : eene kip plukken;
— (fig.) zij hebben hem leelijk geplukt, ongemerkt, langzamerhand veel geld afgezet. PLUKKING, v. (-en), pluk, het plukken.