Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 22-11-2018

Plank

betekenis & definitie

Plank v. (-en), deel, hout uit de volle breedte van een boomstam gezaagd, met geene meerdere dikte dan 5 cM.; deel van zulk eene plank; boomstammen aan planken zagen; iets van planken maken;

— geploegde planken, van ploeg en veer voorzien;
— iets met planken beschoeien;
— het huisje van vier planken, de doodkist; eene sterke plank over eene sloot leggen;
— eene plank leggen, van den wal naar een schip:
— het mes over de plank halen, over de slijpplank;
— (van een huis) de plank aanslaan, het verhuurbord, het te huur zetten;
— (fig.) dit laken is als eene plank, zeer dik en stevig;
— (spr.) de plank mis zijn, zich vergissen;
— eene plank voor ’t voorhoofd hebben, in hooge mate onbeschaamd zijn, (ook) zeer onbevattelijk zijn;
— de planken betreden, tooneelspeler zijn, worden;
— op de planken komen, als tooneelspeler optreden;
— dat stuk blijft lang op de planken, wordt dikwijls opgevoerd;
— (spr.) van dik hout zaagt men plankenr als het noodig is, moet men kras, gevoelig optreden;
— eene verhoogde plank om iets op te zetten, op te bewaren enz.: de planken van eene boekenkast; eene linnenkast met vier planken, de keukenplanken, om daarop allerhande keukengereedschap enz. te bergen;
— (spr.) hij kan goed bij de planken, hij is zeer gegoed, zit er warmpjes in;
— dat is van de bovenste plank, zeer goed;
— je bent iem. van de bovenste plank, je bent een goede, beste jongen;
— glazen planken, glazen platen voor eene winkeletalage. PLANKJE, o. (-s), kleine plank.