Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 22-11-2018

Petrus

betekenis & definitie

Petrus m. (-sen), eigennaam; inz. een der apostelen die in naam der overigen het woord voerde en de eerste bisschop van Rome genoemd wordt;

— (spr.) hij weet wel, waar Petrus den sleutel had, hij weet het fijne van de zaak wel.