Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 22-11-2018

2018-11-22

Paren

betekenis & definitie

Paren (paarde, heeft of is gepaard), tot een paar of tot paren maken: kousen paren;

— twee aan twee rangschikken: de dansers paren;
— koppelen, huwen: zij zijn gepaard;
— dekken, bevruchten: vogels, dieren laten paren;
— (fig.) vergezeld gaan van: dat ging met groote kosten gepaard.