Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 22-11-2018

2018-11-22

Panorama

betekenis & definitie

Panorama o. (-’s), algezicht, vergezicht: op dien heuveltop heeft men een prachtig panorama; bedrieglijke voorstelling (eener stad enz.) in een rond gebouw, in welks midden zich de beschouwer bevindt en waar hij niet zien kan waar de werkelijkheid eindigt en het doek begint; het gebouw zelf.