Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 22-11-2018

Paling

betekenis & definitie

Paling - m. (-en), (v. gmv. als stofn.) welbekende roofzuchtige, slangvormige visch (anguilla vulgaris), die nagenoeg alle zoete wateren van Europa bewoont: paling is grooter, vetter, spitser van kop, bruiner van kleur en lichter aan den buik dan de aal; paling in ’t zuur; paling steken, paling vangen; (fig.) paling vangen, door het ijs zakken, in het water vallen;

— (fig.) lang en mager persoon:
— (Zuidn.) iem. die zijn werk slecht doet, die zich misdraagt enz. : Jan is een vieze paling;
— (gew.) plooi in eene afgezakte kous of sok. PALINKJE, o. (-3).