Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 22-11-2018

2018-11-22

Overgang

betekenis & definitie

Overgang m. (-en), het gaan over iets; het overgaan (in alle bet.); het heeft van nacht een overgang ijs gevroren, het heeft zoo sterk gevroren, dat men over het ijs loopen kan;

— voorbijgang: de overgang van Venus voorbij de zon;
— godsdienstverandering;
— (zeew.) verplaatsing: de overgang van den ballast werd gevaarlijk;
— verandering: de overgang van droefheid tot blijdschap;
— het overgaan van den eenen toestand in den anderen: de overgang van winter in zomer, van koude in warmte, van dag in nacht;
— die knaap is in de periode van overgang, nadert zijne puberteit;
— (muz.) de overgangen, die tonen waardoor men van den eenen toonaard in den anderen overgaat;
— (schild.) de overgangen, van licht in schaduw, de tusschenkleuren;
— (krijgsw.) de overgang der stad, het overgegeven worden.