Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 22-11-2018

Ouderdom

betekenis & definitie

Ouderdom m. tijd dat iem. geleefd of iets bestaan heeft, leeftijd: wij zijn van gelijken ouderdom; hij stierf in hoogen ouderdom; in den aanvalligen ouderdom van 3 jaren;

— hooge leeftijd: de ouderdom komt met zijne gebreken;
— alle personen die een hoogen leeftijd hebben: men moet den ouderdom eeren,
— ouderdom van de maan, getal dagen sedert de verschijning van de nieuwe maan verloopen.