Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 22-11-2018

2018-11-22

Oogsten

betekenis & definitie

Oogsten (oogstte, heeft geoogst), den oogst binnenhalen, de veldvruchten, inz. de granen, maaien, verzamelen en ter bestemde plaatse onder dak brengen: aanschouwt de landen, want zij zijn alreede wit om te oogsten;

— (spr.) gelijk men zaait, zoo zal men oogsten, men ontvangt steeds loon naar verdiensten;
— die wint zaait, zal storm oogsten;
— (Zuidn.) de op het veld overgebleven korenaren verzamelen, aren lezen;
— (fig.) verwerven, inoogsten: dank, lof, bijval oogsten. OOGSTER, m. (-s), iem. die in den oogst werkt, maaier. OOGSTING, v. (Zuidn.) nalezing.