Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-11-2018

Onweder

betekenis & definitie

o. (-s), ONWEER, (gew.) slecht, onstuimig, guur weder;

— beroering van den dampkring, met donder en bliksem gepaard gaande: als de Heere Elia met een onweder ten hemel opnemen zoude; drukkend is de heete lucht, dreigende onweers barsten los; het onweer komt opzetten, trekt af, barst los, drijft over; er broeit een onweer; (ook fig.) eene uitbarsting van toorn, tweedracht, onlusten enz. is te wachten;
— (spr.) er is onweer aan de lucht, er zullen onaangenaamheden komen;
— het onweer is niet van de lucht, (fig.) van iem. die telkens weer begint uit te varen, van iets dat bijna aanhoudend voortgaat. ONWEERTJE, o. (-s).