Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-11-2018

Onverlet

betekenis & definitie

bn. bw. onverhinderd, onbelemmerd : de toegang tot de academische lessen zijn alzoo een iegelijk onverlet; de vloot kwam verder onverlet naar Leiden op;

ongedeerd, zonder letsel: hij bleef onverlet in den strijd;
— (Zuidn.) onaangeroerd : hoe Jan naar stee ging werken, laat ik onverlet;
— (Zuidn.) ten onverlette, zonder zijn werk te verletten : hetgeen de werklieden doen in den vrijen tijd, dat is ten onverlette.