Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-11-2018

Onmatig

betekenis & definitie

bn. bw. (-er, -st), (Zuidn.) buitengewoon groot: een onmatig zwart bord, waarop al de namen van de thans logerende vreemdelingen in ’t krijt stonden;

geen maat houdende, ongebonden, uitgelaten : de verschrikkelijke gevolgen van het onmatig en zelfverheffend gebruik der rede; een onmatige droefheid;
— geen maat houdend in het voldoen aan zijn lusten, inz. ten opzichte van spijs en drank : hij is onmatig, aan tafel drinkt hij veel te veel;
— bw. zó dat men geen maat houdt: de kapitein begon zo onmatig te lachen, dat...
ONMATIGHEID, v. vraatzucht en dronkenschap.