Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Ongelijk

betekenis & definitie

Het begrip ongelijk heeft 2 verschillende betekenissen:

1. ongelijk - Ongelijk bn. bw. niet gelijk van afmeting of gewicht: deze twee tafels zijn van ongelijke hoogte; wegen met ongelijke gewichten; in een driehoek staan tegenover ongelijke zijden ongelijke hoeken;
— zij zijn van ongelijken stand, hun stand verschilt, is niet gelijk;
— zichzelven ongelijk zijn, inconsequent zijn;
— oneffen: de tijd slijt vlak en effen, wat ruw en ongelijk is;
— een ongelijke strijd, waaraan door twee ongelijke partijen wordt deelgenomen;
— (Zuidn.) ongelijke personen, van verschillend geslacht;
— een ongelijk huwelijk, waarbij man en vrouw niet van denzelfden stand zijn;
— ongelijkmatig: hij is zeer ongelijk van humeur;
— bw. op verschillende wijze : d’onsterfelijkheid wordt ongelijk verkregen;
— ongelijkmatig; zijn pols sloeg zeer ongelijk;
— verreweg : ik zal niet beweren, dat het boek hem uit de handen viel, want daar behoort ongelijk meer toe.

2. ongelijk - Ongelijk o. onbillijkheid; ongelijk hebben, geen gelijk hebben, niet de billijkheid voor zich hebben;
— iem. ongelijk geven, hem in 't ongelijk stellen;
— op kosten van ongelijk, zoodat wie ongelijk heeft de kosten van iets betaalt, (ook) dat hij die eene weddenschap verliest de gemeenschappelijke vertering betaalt;
— onrecht dat iem. wordt aangedaan : alsof haar groot ongelijk geschiedde; iem. ongelijk aandoen; het ongelijk dat hij geleden had.