Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-11-2018

Onbeduidend

betekenis & definitie

bn. bw. (-er, -st), niet veel beduidend, weinig beteekenend, door niets opmerking verdienende of belang inboezemende, nietig, beuzelachtig : een onbeduidend persoon; (van ’t gelaat) zonder sprekende trekken, wezenloos, dom: een mooi meisje, maar een onbeduidend gezicht;

— klein, teer, tenger, nietig : een klein en onbeduidend figuurtje;
— niets belangrijks opleverende, doelloos, nutteloos: hij leidt al een heel onbeduidend leven;
— klein, gering, van weinig waarde of belang, onbelangrijk : eene onbeduidende rivier; de som is te onbeduidend om er over te twisten; een zeer onbeduidende tak van nijverheid; onbeduidende praatjes; eene schijnbaar onbeduidende oorzaak;bw. van wijze, op eene onbeduidende wijze, op eene wijze die niets te beteekenen heeft en geene opmerking verdient: wat heeft hij daar gisteren weer onbeduidend zitten te praten; !
— bw. van hoeveelheid, in eene weinig beduidende, geringe mate : het heeft van nacht maar onbeduidend geregend;
— niet onbeduidend, in vrij aanzienlijke mate, niet onaanmerkelijk, aardig: hij heeft er niet onbeduidend bij gewonnen.