Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-11-2018

Onaanzienlijk

betekenis & definitie

Onaanzienlijk bn. bw. (-er, -st), (van pers.) niet in aanzien zijnde, tot de lagere standen behoorende: eene niet onaanzienlijke familie; (van straten, buurten, wijken enz.) niet door personen van aanzien bewoond, niet dienende als woonplaats voor de hoogere standen: ’t is wel geen deftige stand, maar toch ook geen geheel onaanzienlijke buurt;

— (van ambten, betrekkingen enz.) geen aanzien gevende, niet aanzienlijk makende, gering: een gansch niet onaanzienlijken rang in de maatschappij bekleeden;
— niet aanmerkelijk of belangrijk: eene onaanzienlijke hoeve; zijne gestalte was klein en onaanzienlijk; zijne vrouw had hem een niet onaanzienlijk vermogen aangebracht;
— van weinig aanzien, nederig: een onaanzienlijk huurrijtuig; een onaanzienlijk huis;
— bw. van hoeveelheid, onaanmerkelijk, weinig: zijn kapitaal is niet onaanzienlijkvermeerderd. ONAANZIENLIJKHEID, v.