Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-11-2018

Omweg

betekenis & definitie

Omweg m. (-en), een weg die langer is dan de gewone of rechte weg: de moordenaars wisten langs een omweg ongemerkt in den tuin door te dringen; een omweg nemen, maken;

zonder omwegen op zijn doel afgaan, rechtstreeks;
— iets zonder omwegen zeggen, mededeelen, verklaren, zonder noodeloozen omhaal van woorden; iets zonder veel omwegen vragen, zonder complimenten;
— woorden die door duisterheid of dubbelzinnigheid de zaken zoeken te bemantelen, dubbelzinnigheid: het verwondert mij geenszins, dat de Ouden somtijds omwegen, dubbelzinnigheden en duisterheid moesten zoeken. OMWEGJE, o. (-s).