Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-11-2018

Omlaag

betekenis & definitie

omlaag, bw. van plaats; op een zeker punt of binnen zekere ruimte in de laagte : wilde struiken hingen omlaag, omhoog, langs ‘t enge pad; de torenwachter had omlaag het knarsen niet gehoord van ‘t zacht geopend raam; ik was omlaag en zij was boven;

— eene onbepaalde plaats op of nabij den grond, in tegenstelling van omhoog, in het luchtruim of aan het uitspansel: ziet ge sterretjes omhoog ? ziet ge ook sterretjes omlaag ?;
— naar omlaag, naar de laagte, naar beneden, nederwaarts;
— van omlaag, van uit de laagte, van beneden;
— op of nabij de aarde, als de zetel der stervelingen beschouwd, in lager sferen : tegenstelling van omhoog, daarboven, in den hemel; van omlaag, uit lager sferen, van de aarde;
— (zeew.) op zeker punt of binnen zekere ruimte onder het dek van het schip, beneden : de bootsman is omlaag, beneden, in het logies;
— de kapitein is nog omlaag, in de kajuit, of waar ook elders beneden het dek; omlaag, hou ! scheepsroep, dien men aanheft om de aandacht op te wekken, wanneer men van het dek hun, die zich in het benedenschip bevinden, iets wil toeroepen;
— bw. van richting; in de richting naar de laagte, naar beneden, nederwaarts : eenige menschen, allen het hoofd omlaag, schenen iets te zoeken;
— naar de aarde, naar lager sferen;
— (zeew.) naar beneden, hetzij van eene plaats boven het dek naar eene lager gelegen plaats, hetzij van het dek naar het benedenschip;
— de stengen omlaag !, de stengen moeten naar beneden gehaald of afgenomen worden;
— wil het volk dan niet omlaag (t. w. gaan) ?
(Omlaag vormt scheidbare samenstellingen met vele werkw., bv. omlaagbrengen, -buigen, -drukken, -duwen, -gaan, -houden, -kijken, -rukken, -schieten, -slaan, -springen, -storten, -vallen, -voeren, -zien, waarin het zijn gewone beteekenis behouden heeft, zoodat alleen eene enkele dier samenstellingen hier is opgenomen).