Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 27-09-2018

Ofschoon

betekenis & definitie

Ofschoon vw. ter inleiding van een zin die eene gedachte behelst, wier mogelijkheid of werkelijkheid wordt erkend, doch die geen inbreuk maakt op de met haar strijdige hoofdgedachte: zij heeft hem hare hand geweigerd, ofschoon zij hem innig lief had; ofschoon ik mijn best doe, merk ik niet dat ik verder kom;

— ook in elliptische zinnen: ofschoon nog jong, is hij rijp van verstand; gij hebt het toch niet gedaan, hoop ik; ofschoon, er is niet veel aan verbeurd, ofschoon ik bekennen moet dat er in dat geval niet veel aan verbeurd is.