Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 27-09-2018

Nederlandsch

betekenis & definitie

bn. van Nederland eigen aan, behoorende tot Nederland, daaruit afkomstig, daar inheemsch : de Nederlandsche taal; de Nederlandsche bank;

— de Nederlandsche Handelmaatschappij; de Nederlandsche wetten;
— NederlandschIndië, o. onze koloniën in Oost-Indië; evenzoo NederlandschIndisch, Nederlandsch OostIndië enz.;

—, o. de Nederlandsche taal.