Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 27-09-2018

Natuurlijk

betekenis & definitie

bn. bw. (-er, -st), van de natuur, op de natuur betrekking hebbend: natuurlijke historie, dier-, plant- en delfstofkunde; natuurlijke godsdienst, zie natuurgodsdienst;

— door de natuur voortgebracht of gevormd: een natuurlijke magneet; natuurlijke grenzen;
— de natuurlijke dag, van zonsoptot zonsondergang;
zooals de natuur het meebrengt, in overeenstemming met de natuur, met het wezen van iets: de dieren in den natuurlijken staat; een natuurlijken dood sterven; natuurlijke behoeften;
— wat men als van de natuur, bij zijn geboorte meekrijgt, ingeschapen, aangeboren : natuurlijk verstand; natuurlijke aanleg; natuurlijke goedheid;
— overeenkomstig den regelmatigen gang der natuur: de natuurlijke loop der zaken; de ziekte heeft haar natuurlijken loop; ik zie daarin niets bijzonders, alles gaat natuurlijk toe;
— uit de natuur der zaak voortkomend, verklaarbaar, begrijpelijk : een zeer natuurlijke wensch; door eene natuurlijke nieuwsgierigheid gedreven; niets natuurlijker dan dat; het is natuurlijk, dat..., het spreekt van zelf;
— in overeenstemming met de werkelijkheid: teekening op natuurlijke grootte; vooral die vruchten zijn heel natuurlijk geschilderd; je hebt natuurlijk weer gelijk;
— ongedwongen, niet gekunsteld : eene natuurlijke houding; het spel van dien kunstenaar is zeer natuurlijk; zijn taal is eenvoudig en natuurlijk;
— buiten echt geboren, onecht: een natuurlijk kind;
— (godg.) de natuurlijke mensch, nog tot de wereld behoorend, nog aan de zinnelijke wereld gehecht, nog niet wedergeboren;
— (muz.) de natuurlijke toonladder, zonder kruisen of mollen.
NATUURLIJKHEID, v. eenvoudigheid, ongedwongenheid.