Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 27-09-2018

Molen

betekenis & definitie

Molen m. (-s), inz. het gebouw, waar graan en peulvruchten, door middel van twee scherpe steenen, waarvan zich de bovenste over den ondersten in het rond beweegt, tot meel worden gemalen, korenmolen; in het algemeen elk gebouw waar, of toestel waarmede voorwerpen door middel van raderwerk fijngemaakt, verbrijzeld, gesneden, gestampt, gestooten, opgewonden enz. worden, als : zaagmolen, oliemolen, papiermolen, koffiemolen, mosterdmolen, watermolen; (fig.) al wat draait;

— (spr.) dat is koren (ook wel water) op zijn molen, dit helpt hem, komt hem te pas;
— (fig.) daar is wat in den molen, daar is wat ophanden, in de maak, (ook) daar wordt iets kwaads gebrouwen; mijn molen maalt niet meer, mijn gebit is slecht, ik kan niet goed meer kauwen;
— (w. g.) dat is al lang in den molen, daarover is al lang gesproken, beraadslaagd enz.;
— (fig.) het koren van den molen zenden, zichzelven benadeelen, de klanten verjagen;
— (fig.) een slag van den molen weg hebben, niet wel bij zijn verstand zijn;
— (fig-) de molen is door de vang, de zaak is in de war;
— den molen naar den wind keeren, zich gedragen naar de omstandigheden;
— draaien als een molen, licht van meening veranderen;
— in den molen en in de smis, daar zijn de logens geris, waar veel volk komt, wordt veel gelogen ;
— verkorting voor: draaimolen. MOLENTJE, o. (-s), kleine molen; zeker kinderspeelgoed;
— (spr.) met molentjes loopen, niet goed wijs zijn;
— molentje van Woltmann, ter bepaling van de stroomsnelheid eener rivier; werktuig om zijde te haspelen; zeker vuurwerk dat ronddraait, als het wordt afgestoken.