Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 27-09-2018

Mode

betekenis & definitie

Mode v. (-s), wijze, tijdelijk, voorbijgaand gebruik, smaak (inz. in kleederdracht en huisraad): nieuwe, oude mode; de mode volgen; dat is uit de mode, komt weer in de mode; naar de mode gekleed gaan; (spr.) maak je niet dik, dun is de mode, gezegd tot iem. die zich boos maakt;

— eene zaak in modes, artikelen van kleeding, inz. dameshoeden;
— van de oude of nieuwe mode zijn, oude gebruiken bewaren of nieuwe aannemen; naar de oude (of nieuwe) mode gekleed gaan. MODETJE, o. (s-).