Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 27-09-2018

2018-09-27

Mistroostig

betekenis & definitie

Mistroostig bn. (-er, -st), zonder troost, troosteloos, diep neerslachtig; niet opgewekt, melancholiek: mistroostig zijn; hij ging mistroostig heen. MISTROOSTIGHEID, v. neerslachtigheid, groote droefheid, moedeloosheid.