Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 27-09-2018

2018-09-27

Mis

betekenis & definitie

1. Mis v. (-sen), MISSE, v. (-n), (R.-K.) de onbloedige offerande der Nieuwe Wet, waarin het lichaam en bloed van Christus, onder de gedaanten van brood en wijn, door den priester aan God wordt opgedragen, voor levenden en dooden;

— de opdracht dier offerande door den priester met de voorgeschreven gebeden en plechtigheden: hoogmis; plechtige, gezongen mis; gelezen, stille mis;
— de mis doen, celebreeren, opdragen, lezen, zingen, van den priester;
— (de) mis hooren, naar de mis, ter misse gaan, van de geloovigen;
— de mis aan den muur plakken, verzuimen er naar toe te gaan;
— (fig.) geen twee missen voor één geld doen, niet twee maal hetzelfde doen of zeggen ;
— ’t is een (zingende) mis met een staartje, ’t is iets dat buitengewoon lang duurt;
— de gezamenlijke misgezangen, de voorgeschreven kerkelijke gezangen, welke gedurende de misplechtigheid worden uitgevoerd: eene mis van Palestrina; jaarmarkt: de Leipziger, Frankforter mis. MISJE, o. (-s).
2. Mis v. (-sen), misslag, misgreep; dwaling. MISJE, o. (-s), miskraam.
3. Mis bn. bw. mislukt, niet goed uitgevallen, valsch, verkeerd: dat is hier een misse boel; dat gaat hier heelemaal mis; gij hebt het mis, gij vergist u; de plank mis zijn, zich vergissen, eene verkeerde voorstelling van iets hebben; dat is niet mis, daar moet je niet min over denken;
— het is weer mis met hem, hij is weer in zijn oude kwaal vervallen, weer ziek geworden, weer zonder betrekking enz.