Middag betekenis & definitie

Middag m. (-en), het midden van den dag, tijdstip, waarop de zon hare grootste hoogte bereikt heeft; — ware middag, de tijd, waarop de zon zich werkelijk in den meridiaan bevindt; — middelbare middag, de tijd, waarop het middag zijn zoude, indien de zon zich regelmatig in de ecliptica bewoog en deze met den equator samenliep; — het is middag, het is twaalf uur; — (fig.) de middag des levens, de mannelijke ouderdom; — des middags, te 12 uur; — namiddag, de tijd die op het eigenlijke middaguur volgt, van 12 tot 5 of 6 uur; ik heb nu geen tijd, ik kom van middag wel eens bij je; hij is er een heelen middag geweest. MIDDAGJE, o. (-s).