Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 27-09-2018

Mesten

betekenis & definitie

Mesten (mestte, heeft gemest), vet maken, vet doen worden (het vee); zich mesten, zich te goed doen aan eten en drinken;

— (w. g.) drek van zich geven;
— mest wegvoeren, van mest ontdoen: vandaag moet de stal gemest worden;
— bemesten, den grond vruchtbaar maken: een boer die zijn land goed mest is altijd de baas. MESTING, v. (-en), het mesten; mestvoer: handel in mesting.