Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Mantel

betekenis & definitie

Het begrip mantel heeft 2 verschillende betekenissen:

1. mantel - MANTEL, m. (-s), zeker kleedingstuk met of zonder kap (van mannen en vrouwen), dat over de gewone kleeren wordt aangetrokken of om den schouder wordt heengeslagen; manteljas, wijde jas; rouwgewaad (bij eene lijkstaatsie), kerkgewaad;
— (fig.) iets met den mantel der liefde bedekken, het ! bemant den, verbergen, niet ruchtbaar maken; iem. den mantel uitvegen, uitborstelen, hem scherp doorhalen, berispen;
— den mantel (de huik) naar den wind hangen, zich naar tijd en omstandigheden schikken;
— onder den mantel van godsvrucht, onder den schijn, onder voorwendsel van;
— (gew.) jak; (wapenk.) met hermelijn gevoerd kleed dat met bochten en breede plooien achter een schild wordt gehangen;
— de veeren op de schouders en de voorste helft van den rug (bij vogels);
— langere haren om de schouders bij sommige dieren;
— (ontl.) wand die de holte van de groote halfronden der hersenen omgeeft; hulsel van zekere afdeeling van het lichaam der weekdieren;
— wal, muur om eene stad, vgl. eene vesting ontmantelen;
— omgeving in de mantels der boerderijen zijn de eendenkooien in gereedheid;
— belegsel om een schoorsteen; de buitenste steenen omkleeding van een hoogoven;
— (ijzerg.) de dikke massa leem die het hemd (zie aldaar) van den gietvorm omgeeft;
— (smed.) kap boven den haard die den rook opvangt en in den schoorsteen uitmondt;
— bekleeding van het toppunt van een toren onder het kruis, ook hoos geheeten;
— een scherm van plaatijzer om kachels. MANTELTJE, o. (-s), kleine mantel; vrouwenmanteltje, pélerine, mantille.

2. mantel - MANTEL, m. (-s), (scheepst.) takel tot het hijschen van zware lasten.