Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 19-09-2018

Maas

betekenis & definitie

1. Maas v. (mazen), knoop van een net; ruimte tusschen twee steken; (fig.) door de mazen kruipen, met moeite zijn doel bereiken; door de mazen der wet kruipen, op listige wijze de bepalingen der wet ontduiken;

— steek (in breiwerk). MAASJE, o. (-s).
2. Maas v. naam eener rivier in België en Nederland.