Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 19-09-2018

Maart

betekenis & definitie

Maart m. derde maand van het jaar, Lentemaand (31 dagen); Maart roert zijn staart, in Maart heeft men gewoonlijk onstuimig weer, buien, veel wind en regen;

— Maart pakt ze met den staart en April pakt ze met een bril;
— Maart heeft knepen in zijn staart;
— de eerste donder in Maart, pakt de elft bij den staart, bij warm weer in Maart komt de elft de rivier opzwemmen;
— een droge Maart en een natte April is den boeren naar hun wil.