Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 19-09-2018

Lustig

betekenis & definitie

Lustig bn. bw. (-er, -st), vroolijk, blijmoedig, opgeruimd, levendig, dartel: een lustig lied; lustig zingen; een lustig leven leiden; lustig lachen;

— (muz.) allegro;
— (flg.) groot; zeer, terdege: hij kreeg lustig wat op den rug;
— flink, ferm lustig aan (aanmoediging). LUSTIGHEID, v. LUSTIGJES, bw.