Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 19-09-2018

Levend

betekenis & definitie

LEVEND, bn. het leven genietend, in leven zijnde: de levende wezen;

— levende bloemen, in tegenst. met kunstbloemen;
— (fig.) ik vond er geen levende ziel, niemand; ketters werden levend verbrand;
— levende beelden, groepeeringen van levende personen als beelden, tableaux vivants;
— in levenden lijve stond hij voor mij, springlevend;
— de levende hand, de bezitter, erfgenaam, die in leven is;
— bij levenden lijve iets weggeven, terwijl men nog leeft; levend vleesch;
— de levende talen, de hedendaagsche talen, in tegenst. met de doode: de Hebreeuwsche. Latijnsche enz.;
— levend water, stroomend of wellend;
— levende kalk, ongebluschte;
— het levend werk van een schip, gedeelte van een schip dat onder water is;
—hellingen door middel van de levende kracht van den trein te beklimmen, werkzame kracht.