Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 19-09-2018

Lel

betekenis & definitie

LEL, v. (-len), (ontl.) beweeglijk velletje oortel, keellel (of huig);

— het lelletje van de tong, de tongriem;
— lapje onder aan den snavel of kop van sommige hoenderachtige vogels;
— (fig.)loshangende lap lellen en bellen;
— (gemeen) ontuchtig vrouwspersoon. LELLETJE, o. (-s).