Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 19-09-2018

Leger

betekenis & definitie

LEGER, o. (-s), vaste ligplaats van in ’t wild leverde viervoetige dieren, inz. van hazen, konijnen en herten;

— een dier op (in) het leger vangen, schieten is niet eervol voor een jager;
— ligplaats voor menschen, bed, legerstede: de zieke lag op zijn leger; de aarde was zijn leger; een hard, een zacht leger;
— plaats, waar eene menigte krijgsvolk in de open lucht onder tenten doorbrengt, kamp het leger opbreken;
— groote menigte krijgsvolk, voorzien van al het noodige om te strijden, heer, armee een leger op de been brengen; een leger in slagorde scharen;
— vliegend leger, dat er op ingericht is zich snel te verplaatsen; het leger des heils, zie heil;
— (fig.) groote menigte.