Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 19-09-2018

2018-09-19

Lappen

betekenis & definitie

1. Lappen (lapte, heeft gelapt), een of meer lappen in of op iets zetten, iets verstellen een kleed lappen; schoenen lappen; ketels lappen; den vloer lappen; hemden lappen;

— (zegsw ) de broek lappen en garen toegeven, iem. een dienst bewijzen, met opoffering van tijd en geld;
— knoeierig naaien, repareeren, slordig herstellen: eene oude broek lappen, wat opknappen; (fig.) iets voor het gat lappen, haastig en slordig afwerken;
— (zeew.) kalfaten (een schip);
— geld bijeenbrengen om samen iets te koopen, inz. sterken drank;
— (kaartsp.) bij het jassen eene hooge telkaart (tien of aas) opzettelijk bijleggen;
— in orde brengen, klaarspelen, opknappen: dat lap jij hem niet, dat speelt gij nooit klaar; det heb je ‘m gauw gelapt, in orde gebracht, gemaakt, gedaan;
— zij zullen {hem) dat netjes lappen, zij zullen dat knapjes verrichten, doen; -wie heeft mij dat gelapt ? wie heeft mij die poets gebakken, die kool gestoofd ?;
— glazen lappen, zeemen, met een zeemlap schoonmaken
— (sport, bij fietswedstrijden) iem. lappen, hem op de baan voorkomen.
2. Lappen (lapte, heeft gelapt), klappen geven, slaan;
— drank of eten naar binnen lappen, naar binnen slaan, haastig drinken of eten;
— alles door de keel lappen, al zijn geld in sterken drank verkwisten;
— zijn goed door de billen lappen, opteren;
— iets in den kraag (hals) lappen, uitdrinken;
— alles in zijn gat (keelgat) lappen, alles opruimen; iem. den degen door het lijf lappen (stooten); hij lapt er maar alles uit, dat voor hem komt, hij zegt, wat hem in de gedachte komt, of ’t past of niet; dat lap ik aan mijn laars, daar geef ik niet om, daar stoor ik mij niet aan. LAPPING, v. het lappen, het verstellen.