Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 19-09-2018

Lap

betekenis & definitie

1. Lap m. (-pen), stuk doek of stof, groot of klein een lap voor eene japon; een lapje om den vinger doen, wanneer men zich gesneden heeft;

— minachtend voor; afgescheurde lap, flard, vod de lappen hangen er bij; eene pop van ouwe lappen? een gezicht van ouwe lappen, een huilerig, leelijk gezicht;
— dat is een nieuwe lap op een oud kleedr verbetering die beter weggebleven ware, (ook) nieuwe instelling bij een oud stelsel dat van een geheel anderen geest getuigt en daardoor nutteloos, zelfs schadelijk kan zijn;
— dat werkt op hem als een roode lap op een stier, dat maakt hem woedend;
— stuk goed om scheur of gat te dichten of eene versleten plaats te vervangen: beter een lap dan een gat; een lap inzetten,
— (gew.) we zullen hem een lap zetten, de zaak eens flink aanpakken;
— (gew.) een zieke een lap zetten, hem voor eenigen tijd oplappen;
— overgebleven stuk goed: de kleermaker heeft er de lappen bijgedaan;
— (in winkels) opruiming van lappen;
— (gew.) kleeding iem. achter zijne lappen zitten, hem narijden; iem. bij de lappen hebben, krijgen, hem bij zijn lurven hebben, te pakken krijgen; op zijn lappen krijgen, een pak slaag krijgen;
— plat of dun stuk van allerlei andere stoffen: (van papier) de schilder zat voor een verschen lap papier; de lappen hangen erbij, van behang gesproken;
— een lapje van honderd, van duizend, een bankbiljet;
— (van vleesch) lapjes rundvleesch; wij eten kalfslappen;
— (van vel) hij brandde zich aan de kachel, dat er een lap vel bleef aanhangen;
— (van leer) een lap op de schoen zetten; achterlappen; (fig.) met iets op de lappen komen, voor den dag komen; (gew.) op de lappen gaan, er op uitgaan, (Zuidn.) aan den zwier gaan; op de lappen zijn, gezond zijn; weer op de lappen zijn. van eene ziekte hersteld zijn, weer op de been zijn;
— een leeren lap, een lap van zeemleer;
— (van grond) een aardige lap tuin; hij heeft nog een lap grond bij zijn huis; een vette lap grond;
— (sport, bij fietswedstrijden) baanronde
— (in houtzagerijen) lappen waarvan de ribben gezaagd worden;
— (in den scheepsbouw) dunne plank op een balk of spant;
— (zeet.) alle lappen bijhebben, alle zeilen; de lappen bergen; onder de lappen zijn, onder zeil wezen;
— den wind vlak voor het lapje hebben, het recht voor den wind hebben; (ook fig.) het gaat hem voor ’t lapje, het gaat hem voorspoedig;
— (in den effectenhandel) schuldbekentenis die niet groot genoeg is om daarvoor een certificaat met coupons af te geven;
— het hangende oor van sommige hondenrassen; (diev.) oor, in ’t algemeen gezegd;
— (ontl.) kwab van de long. LAPJE, o. (-s).

2. LAP, tw. (Zuidn.) uitroep ter nabootsing van het geluid door een klap veroorzaakt.
3. LAP, m. en v. (-pen), (gew.) klap, slag: iem. een lap om de ooren geven;
— dat is twee vliegen in één lap, twee oogmerken tegelijk bereiken;
— hij legt er dadelijk de lap op, hij slaat maar dadelijk.
4. LAP, m. (-pen), slappe vent, sukkel, lammeling, vgl. zuiplap; dronken lappen, dronken kerels;
— (Zuidn.) getrouwde lap, minachtend gezegd vaneen getrouwd man;
— iem. voor het lapje houden, voor den gek houden.
5. LAP, m. (-pen), iem. uit Lapland.