Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 19-09-2018

Lantaarn

betekenis & definitie

Lantaarn v. (-en), LANTAREN, v. (-s), zeker toestel met doorschijnende wanden, waarin een licht wordt geplaatst, om het uit dooien daarvan door wind enz. te voorkomen of het brandgevaar te verminderen: als ge in de schuur wilt gaan, moet ge de lantaarn nemen;

— straat-, gaslantaarn de lantarens worden hier om elf uur ’s avonds uitgedaan;
— (spr.) eene, groote lantaren en weinig (of zonder) licht, een groot hoofd met niet veel verstand; (ook) hij schijnt uitwendig veel te zijn, doch is inwendig zwak; (ook) gij staat mij in het licht;
— dat zul je met een lantaarntje moeten zoeken, dat is moeilijk te vinden, zeer zeldzaam;
— (gew.) met de lantaarn aan den dissel vertrekken, met de noorderzon vertrekken, in stilte weggaan;
— (gew.) hij heeft oogen als lantaarns, groote, fonkelende oogen;
— (gew.) hij geeft hem van de lantaarn, hij loopt hard;
— (bouwk.) glazen kap op het dak van een huis, in de zoldering boven de trap, in het dek van een schip waardoor datgene wat er onder ligt, van boven daglicht krijgt;
— torenvormige bouw, gewoonlijk op een koepeldak, veelal open aan de zijden;
— (molenm.) schijfloop, zie aldaar. LANTAARNTJE, LANTARENTJE o. (-s).