Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 19-09-2018

Lade

betekenis & definitie

LA, v. (laden), schuifbak in eene tafel of kast: de lade uittrekken, dichtschuiven; hij heeft de heele la onderstboven gehaald, alle goederen die er in waren;

— (Zuidn.) in de bovenste lade liggen, in alles bevoordeeld worden, de gunsteling zijn; het tegenovergestelde is: in de onderste lade liggen;
— aschbak in eene kachel;
— (wev.) raam in een weefstoel, slag waarmede de inslagdraden worden aangeschoven;
— (mil.) het houten bakje van een geweer waarin de loop sluit; (ook) opening voor den laadstok;
— (scheepst.) gat waarin het roer hangt, bus waarin de helmstok steekt. LAATJE, o. (-s), zie aldaar.