Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 19-09-2018

2018-09-19

Lach

betekenis & definitie

m. het lachen zoete lach, gedwongen lach, spottende lach; vol lachs zijn, zich niet kunnen bedwingen van lachen; goed lachs zijn, spoedig hartelijk lachen. LACHJE, o. (-s).