Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Kwik

betekenis & definitie

Het begrip kwik heeft 3 verschillende betekenissen:

1. kwik - KWIK, o. v. kwikzilver eene glazen buis met kwik vullen;
— (fig.) levendigheid, vuur (der jeugd);
— (w. g.) (fig.) het is maar kwik, het is maar eene nuttelooze aardigheid, eene grap; de zaak, het ding beduidt niet veel, beteekent weinig; (fig.) dat is maar kwik, in den wind geschermd;
— (fig.) hij is als kwik, buitengemeen vlug, levendig, driftig;
— (scheik.) zoet kwik, kwikchloruur; bijtend kwik, kwikchloride.

2. kwik - KWIK, v (-ken), beuzeling.

3. kwik - KWIK, bn. bw. (-ker, -st), zie KWIEK.