Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 14-03-2020

Kwaad

betekenis & definitie

Het begrip kwaad heeft 2 verschillende betekenissen:

1. kwaad - KWAAD bn. (erger, ergst; kwader.. Kwaadst, in de beteekenis boos, toornig), (van personen en dieren) het tegendeel van goed, niet zijnde zooals men kan verlangen, slecht, ongeschikt: de goeden moeten het met de kwaden ontgelden, zie goed; voor die betrekking is hij nog zoo kwaad niet, is hij tamelijk geschikt;
— kwade vrienden zijn, vijandig gezind zijn;
lastig, moeilijk hij is een kwaad rakker;
toornig, nijdig, boosaardig: kwaad worden; hij wordt licht kwaad, is spoedig boos;
— iem. kwaad maken; zich kwaad maken, toornig worden; kwaad op iem. zijn; een kwaad wijf;
— met een kwaden kop wegloopen, verstoord en zonder naar rede te luisteren; hij is zoo kwaad niet, als hij wel lijkt (of) als hem zijne muts wel staat, hij is beter, goedaardiger dan hij schijnt;
— hij is niet kwaad van aard, niet boosaardig;
— (van zaken) niet zijnde zooals het behoort te zijn, slecht, verkeerd, niet deugend: een kwaad geweten hebben, niet zuiver;
— kwade trouw, trouweloosheid;
— een advocaat van kwade zaken, iem. die onrechtvaardige dingen verdedigt;
— te kwader trouw, valsch, niet opiecht, verraderlijk;
— iem. een kwaden raad geven;
— dat is nog zoo kwaad niet, dat is vrij goed; dat is gansch niet kwaad; het was niet kwaad, als... het zou niet ongewenscht zijn, dat...;
— kwade sappen, kwaad bloed;
— dat zal kwaad bloed zetten, een gevoel van misnoegdheid of wrevel wekken;
— (spr.) kwade samensprekingen bederven goede zeden, kwaad gegezelschap, omgang met slechte menschen bederft goede zeden; goed geld naar kwaad geld gooien. zie geld; daar is kwaad geld bij, daar verliest men op, moet geld bij;
— kwade betalers, die niet, of niet op tijd betalen; een kwade noot, die niet deugt;
— (spr.) kwade noten kraken',
— een kwade aardappel. die door de aardappelziekte is aangetast;
— lastig, moeilijk: dat is een kwade boel, eene lastige zaak;
— het zeer kwaad hebben, zeer ongelukkig zijn, in kommervolle omstandigheden verkeeren;
— het te kwaad krijgen, in moeilijke omstandigheden komen, er slecht aan toe worden, in gevaar geraken, het onderspit moeten delven; (ook) zich niet langer goed kunnen houden, zijne aandoening niet langer kunnen bedwingen; (ook) ruzie krijgen;
— det zal kwaad gaan;
— onaangenaam, onvoordeelig, ongelukkig: nog een paar kwade weken, dan zijn wij &' door; wij hebben een kwaad jaar gehad; wij hebben nu geen kwaad wijnjaar; ter kwader ure, op een ongelukkig oogenblik
— ongunstig voor iem. of iets ongelukken zijn kwade kansen, daar kan men weinig aan doen;
— 't is kwaad weer voor de tuinvruchten;
— een kwaad vermoeden hebben, dat ten opzichte van iem. ongunstig is;
— bij iem. in een kwaad blaadje staan, slecht aangeschreven staan;
— iem. in een kwaad daglicht stellen, alles van hem ongunstig voorstellen;
— hij staat in een kwaden reuk, er wordt niet gunstig over hem gedacht en gesproken;
— iem. een kwaad hart toedragen, hem ongunstig gezind zijn;
— in eene kwade luim zijn, waarin men onvriendelijk is voor anderen;
— kwade tijding, die ongunstig is voor hem, die haar ontvangt;
— zeer gevaarlijk er heerschen kwade koortsen; kwade droes, gevaarlijke ziekte bij paarden;
— bw. op slechte, verkeerde wijs zoo goed en zoo kwaad, als hij kon; hij meende het zoo kwaad niet;
— het kwaad te verantwoorden hebben.

(In Z. A. is kwaad = boos, toornig; en kwaai = boosaardig, venijnig, ongetemd).

2. kwaad - KWAAD bn. (erger, ergst; kwader.. Kwaadst, in de beteekenis boos, toornig), (van personen en dieren) het tegendeel van goed, niet zijnde zooals men kan verlangen, slecht, ongeschikt: de goeden moeten het met de kwaden ontgelden, zie goed; voor die betrekking is hij nog zoo kwaad niet, is hij tamelijk geschikt;
— kwade vrienden zijn, vijandig gezind zijn;
— lastig, moeilijk hij is een kwaad rakker;
— toornig, nijdig, boosaardig: kwaad worden; hij wordt licht kwaad, is spoedig boos;
— iem. kwaad maken; zich kwaad maken, toornig worden; kwaad op iem. zijn; een kwaad wijf;
— met een kwaden kop wegloopen, verstoord en zonder naar rede te luisteren; hij is zoo kwaad niet, als hij wel lijkt (of) als hem zijne muts wel staat, hij is beter, goedaardiger dan hij schijnt;
— hij is niet kwaad van aard, niet boosaardig;
— (van zaken) niet zijnde zooals het behoort te zijn, slecht, verkeerd, niet deugend: een kwaad geweten hebben, niet zuiver;
— kwade trouw, trouweloosheid;
— een advocaat van kwade zaken, iem. die onrechtvaardige dingen verdedigt;
— te kwader trouw, valsch, niet opiecht, verraderlijk;
— iem. een kwaden raad geven;
— dat is nog zoo kwaad niet, dat is vrij goed; dat is gansch niet kwaad; het was niet kwaad, als... het zou niet ongewenscht zijn, dat...;
— kwade sappen, kwaad bloed;
— dat zal kwaad bloed zetten, een gevoel van misnoegdheid of wrevel wekken;
— (spr.) kwade samensprekingen bederven goede zeden, kwaad gegezelschap, omgang met slechte menschen bederft goede zeden; goed geld naar kwaad geld gooien. zie geld; daar is kwaad geld bij, daar verliest men op, moet geld bij;
— kwade betalers, die niet, of niet op tijd betalen; een kwade noot, die niet deugt;
— (spr.) kwade noten kraken',
— een kwade aardappel. die door de aardappelziekte is aangetast;
— lastig, moeilijk: dat is een kwade boel, eene lastige zaak;
— het zeer kwaad hebben, zeer ongelukkig zijn, in kommervolle omstandigheden verkeeren;
— het te kwaad krijgen, in moeilijke omstandigheden komen, er slecht aan toe worden, in gevaar geraken, het onderspit moeten delven; (ook) zich niet langer goed kunnen houden, zijne aandoening niet langer kunnen bedwingen; (ook) ruzie krijgen;
— det zal kwaad gaan;
— onaangenaam, onvoordeelig, ongelukkig: nog een paar kwade weken, dan zijn wij &' door; wij hebben een kwaad jaar gehad; wij hebben nu geen kwaad wijnjaar; ter kwader ure, op een ongelukkig oogenblik
— ongunstig voor iem. of iets ongelukken zijn kwade kansen, daar kan men weinig aan doen;
— 't is kwaad weer voor de tuinvruchten;
— een kwaad vermoeden hebben, dat ten opzichte van iem. ongunstig is;
— bij iem. in een kwaad blaadje staan, slecht aangeschreven staan;
— iem. in een kwaad daglicht stellen, alles van hem ongunstig voorstellen;
— hij staat in een kwaden reuk, er wordt niet gunstig over hem gedacht en gesproken;
— iem. een kwaad hart toedragen, hem ongunstig gezind zijn;
— in eene kwade luim zijn, waarin men onvriendelijk is voor anderen;
— kwade tijding, die ongunstig is voor hem, die haar ontvangt;
— zeer gevaarlijk er heerschen kwade koortsen; kwade droes, gevaarlijke ziekte bij paarden;
— bw. op slechte, verkeerde wijs zoo goed en zoo kwaad, als hij kon; hij meende het zoo kwaad niet;
— het kwaad te verantwoorden hebben.

(In Z. A. is kwaad = boos, toornig; en kwaai = boosaardig, venijnig, ongetemd).

2.
KWAAD, o. de hoedanigheid van kwaad hij kent geen verschil tusschen goed en kwaad;
— al wat kwaad is; (bijb.) de boom der kennisse des goeds en des kwaads;
— zulke taal doet meer kwaad dan goed;
— kwaad met goed vergelden;
— hij kan daar geen kwaad (doen), alles wat hij daar doet, wordt goedgekeurd;
— waar kwaad is, komt kwaad bij, een ongeluk komt zelden alleen;
— dat kan geen kwaad, dat zal wel goed zijn;
— van geen kwaad weten, volkomen onschuldig zijn;
— van kwaad tot erger vervallen;
— het kwaad loont zijn meester;
— het eene kwaad brengt het andere voort;
— elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad;
— kwaad stichten, onheil veroorzaken;
— kwaad brouwen, slechte bedoelingen hebben;
— iets ten kwade duiden, het kwalijk nemen, (ook) ongunstig opnemen, uitleggen;
— ik zal geen kwaad van hem zeggen, hem niet belasteren;
— kwaad stoken van iem., van hem lasteren;
— hij weet van den prins geen kwaad, hij weet niets van de zaak; (ook) hij houdt zich van den domme, doet het voorkomen, of hij onschuldig is;
— die kwaad doet, kwaad ontmoet;
— dat is een noodzakelijk kwaad;
— ziekte, kwaal: een of ander kwaad onder de leden hebben;
— het kwaad is in de aardappelen, de aardappelziekte;
— (mv. kwaden) kwade dingen, kwade zaken: van twee kwaden het minste kiezen.