Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Kring

betekenis & definitie

Kring m. (-en), gesloten kromme lijn, cirkel of ongeveer een cirkel: een steen in ’t water geworpen, vormt kringen; kringen (onder het schaatsenrijden) beschrijven;

— kring om zon of maan, ontstaan door de breking der lichtstralen in fijne ijskristallen die in de bovenlucht zweven; keerkring; de kring, waarin zich de aarde om de zon beweegt; in een kring om de kachel zitten; een kring vormen; uit den kring treden;
— (spr.) hij draait altijd in een kring rond, komt altijd weer terug bij het punt van uitgang, komt niet vooruit;
— hij gaat nooit buiten den kring zijner gewone bezigheden;
— eene bijeenbehoorende groep om den een of anderen persoon, stand, sfeer: in den kring der zijnen, in den boezem van zijn gezin;
— een kring van vrienden; de Muiderkring;
— in de kringen der arbeiders; in de hoogere kringen;
— in Christelijke kringen;
— in de hoogere, in welonderrichte kringen;
— eene uitvinding in ruimer kring bekendmaken;
— district; gedeelte land; verboden kringen, die streken waar het verboden is opium in te voeren of te verkoopen;
— verboden kring (om forten; enz.), kring gewoonlijk van 1000 M. rondom een fort enz. waar het verboden is naar verkiezing te bouwen of te planten;
— donkere of anders gekleurde rand om iets; een vurige kring rondom een negenoog; cirkelvormige rand, die door zijn kleur afsteekt; blauwe kringen om de oogen;
— (scheepst.) opwinding van den kabel om den spil. KRINGETJE, o. (-s), kleine kring: kringetjes blazen, bij het rooken den rook in kleine kringen uit den mond stooten;
— (plat) kringetjes spugen, baliekluiven, over de brugleuning hangen, lanterfanten, niets doen;
— zich in een klein kringetje bewegen, met niet veel menschen in aanraking komen;
— (Ind.) een glaasje jenever of cognac puur.