Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Koopen

betekenis & definitie

KOOPEN, (kocht, heeft gekocht), zich door betaling of verbintenis in het bezit (van iets) stellen van, bij iem. koopen; iets duur, goedkoop, voor een spotprijs koopen; huizen, landerijen enz. koopen;

— iets op speculatie koopen, om er later wat aan te verdienen;
— ene kat in den zak koopen, bedrogen uitkomen;
— (Zuidn.) appelen voor citroenen koopen, bedrogen worden;
— op krediet koopen, om dit later te betalen;
— op tijd, op levering koopen, om later te leveren;
— kontant koopen, om dadelijk te betalen;
— zich in een gasthuis of eenig gesticht koopen, geld betalen, om er in opgenomen te worden;
— zich uit de gevangenis koopen, zich vrij koopen;
— (bij het spel) nemen, krijgen: kaarten koopen; hoeveel stenen (domino-) hebt gij gekocht ?
— (bijb.) verwerven koopt wijsheid.