Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Koninklijk

betekenis & definitie

KONINKLIJK, bn. bw. (-er, -st), een koning zijnde de koninklijke gast;

— als, van een koning: het koninklijk huis, de familie des konings, de prinsen van den bloede, dynastie;
— de koninklijke marine; het koninklijke wapen; de koninklijke bibliotheek te ’s-Gravenhage; een koninklijk besluit, van den koning uitgaande; het koninklijke schild; de koninklijke mantel, de koningsmantel;
— (fig.) den koninklijken weg gaan, niet op zijpaden, geen slinksche wegen bewandelen;
— (fig.) koninklijk leven, als een koning, op koninklijke wijze;
— iem. koninklijk onthalen, luisterrijk, schitterend.