Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Knagen

betekenis & definitie

KNAGEN, (knaagde, heeft geknaagd), met de voorste tanden afbijten, inz. van knaagdieren en insecten; de ratten knaagden (aan) het hout; de muizen hebben een gat in de deur geknaagd; de roest knaagt aan het ijzer, vreet in; (fig.) eene aanhoudende en allengs toenemende smartelijke en onaangename gewaarwording veroorzaken: het geweten knaagt aan zijne ziel. KNAGING, v. (-en), het knagen, de knabbeling; inbijting, invreting; (fig.) de knagingen van het geweten, wroegingen, folteringen.