Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Kleuren

betekenis & definitie

KLEUREN, (kleurde, heeft gekleurd), kleur geven aan de zon kleurt de druiven; boter kleuren;

— (schild.) met kleuren afzetten;
— eene kleur krijgen, rood worden, blozen hij kleurde tot achter zijne ooren; (ook) zeker kaartspel spelen, zie commersen; zich kleuren, eene kleur krijgen, gekleurd worden: de weiden kleuren zich reeds; (kaartsp.) zich kaarten verschaffen van dezelfde kleur. KLEURING, v. (-en), het kleuren, kleur geven aan.