Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Kern

betekenis & definitie

1. KERN, v. (-en), pit, korrel, zaad; binnenste steen (eener vrucht); merg van hout, hart;

— (fig.) dat bevat eene kern van waarheid;
— het beste, krachtigste van iets tot de kern eener zaak doordringen, tot het wezenlijke; het niet oppervlakkig behandelen; de kern der burgerij, het beste gedeelte, de degelijke burgerklasse;
— kern der algebra, leerboek dat de voornaamste eigenschappen behandelt; evenzoo kern der rekenkunde enz.; de middelklasse is de kern der natie;
—(rail.) de ziel van een kanon (in tegenst. met de kamer)-,
— (muz.) middelschot in eenige pijpwerken van het orgel;
— (ijzerg.) het in den gietvorm geplaatste stuk, waaromheen het verlangde voorwerp gegoten wordt; zie ook doorn;
— (ontl.) het vaste lichaampje in eene cel.
2. KERN, v. (-en), zie KARN.