Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Kerkelijk

betekenis & definitie

KERKELIJK, bn. bw. tot, van de kerk; de kerkelijke Staat, het vroegere wereldlijk gebied van den Paus;

— de kerkelijk inkomsten; kerkelijke goederen;
— kerkelijke belasting, door het kerkbestuur van de lidmaten geheven ten bate der kerk; een kerkelijk lied; de kerkelijke inzegening; een huwelijk kerkelijk inzegenen;
— (R.-K.) het kerkelijke jaar begint met den eersten Zondag van den Advent;
— (R.-K.) kerkelijke kleuren; de verschillende kleuren als onderscheiding der waardigheid; zoo draagt de Paus collaar, toog, kapje en cingel wit, de Kardinalen rood, de Bisschoppen (zwart met) purper, enz.; de kerkelijke partij, clericale partij, zie ald.;
— (gew.) waar zijt gij kerkelijk ? tot welke kerkelijke gemeente behoort gij ?; zij zijn kerkelijk te A., doch daar ze dichter bij B. wonen, gaan zij daar vaak ter kerk.