Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Keizer

betekenis & definitie

KEIZER, m. (-s), alleenheerscher; titel van zekere vorsten de keizer van Duitschland, van Rusland, van Oostenrijk;

— (spr.) geef den keizer, wat des keizers is, geef aan ieder wat hem toekomt;
gaan, waar de keizer te voet gaat, naar het heimelijk gemak gaan;
— waar niets is, verliest de keizer zijn recht, wie niets heeft, van dien is niets te vorderen;
— spelen, vechten om des keizers baard, om niemendal;
— hij heeft den keizer gezien, hij is keizer, (gewoonlijk hij heeft den prins gesproken) heeft te veel gedronken;
— looper, sleutel die op vele sloten past;
— (nat. hist.) (gew.) fuut. KEIZERTJE, o. (-s).